2.6.9 Arts

Om goed voor anderen te kunnen zorgen of om dit lang vol te kunnen houden, moet men als profesional eerst en vooral in staat zijn goed voor zichzelf te zorgen.

Hoe doe ik dat?

  1. Inleiding; als hulpverlener heb je te maken met de wensen, eisen en verwachtingen van diverse personen in je (werk)omgeving: verlangens van je patienten, van de verpleging, van je collega's, van je supervisoren en niet te vergeten van jezelf. Het is niet zo verwonderlijk dat er in deze hectiek wel eens wat mis gaat, dat men daar dan al of niet terecht op worden aangesproken en dat dit werken onder druk iemand soms teveel wordt. Te hoge emotionele belasting met als gevolg burn-out verschijnselen komen dan ook veel voor (Heijden e.a., 2005). De vraag is hoe bescherm je jezelf tegen te hoge emotionele belasting en voorkom je burn-out. Deze paragraaf biedt geen recept voor alle situaties. Emotionele belasting is nu eenmaal inherent aan de beroepsuitoefening. Deze paragraaf biedt wel een denk- en voelmodel om onnodige emotionele belasting uit je leven te weren. Dit model is te gebruiken als de druk die je ervaart van anderen, te hoog dreigt op te lopen, bijvoorbeeld omdat je kritiek krijgt van een supervisor of omdat een patient dreigt een klacht tegen je in te dienen. Dit model is vooral ook te gebruiken als je jezelf te veel onder druk zet door de hoge eisen die je wellicht aan jezelf stelt.
  2. Het ABC-schema; het uitgangspunt van het denk- en voelmodel is dat we ons voelen zoals we denken en dat dit weer bepaalt hoe we ons gedragen. In schema:
    gedachten ---_ gevoelens ---_ gedrag ---_ gedachten ---_ gevoelens etc.
    Veel (gespreks)situaties ervaren we als problematisch omdat we over die situaties problematische gedachten hebben. Als je deze problematische gedachten kan opsporen en kan omzetten in meer functionele gedachten, ontstaat een meer realistische kijk op jezelf en je omgeving. Dit heeft weer tot gevolg dat de storende gevoelens over de situatie (ergernis, machteloosheid, schuldgevoel, etc.) zullen verminderen en dat je ook minder gespannen omgaat met de situatie. Zo doorbreek je de spiraal van gespannenheid en storende emoties die ertoe leiden dat je in dit soort situaties ook niet adequaat reageert. We gaan er in dit model dus vanuit dat gedachten over de situatie voorafgaan aan de gevoelens over de situatie. Dit lijkt wat vreemd, omdat je je meestal eerst bewust wordt van de gevoelens die een situatie oproept, en pas dan van de gedachten die daar aan vooraf zijn gegaan. In werkelijkheid zijn gedachten en gevoelens onlosmakelijk met elkaar verbonden, ze vormen als het ware twee kanten van dezelfde medaille. Het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat je voorop zet.
  3. Een voorbeeld: stel dat je van een supervisor vrij onverwacht en nogal ongezouten kritiek hebt gekregen, omdat je bepaalde informatie niet in de status van een patiënt hebt opgenomen. Door deze kritiek ben je behoorlijk van je stuk gebracht.
    Als we deze situatie nu eens gaan analyseren in termen van wat er gebeurt, wat je denkt en wat je voelt, dan kunnen we het volgende onderscheiden:
    A gebeurtenis;
    B gedachten;
    C emotionele reactie.
    Van de gebeurtenis en je emotionele reactie ben je je meestal wel direct bewust.
    Wat je dus merkt van bovenstaand rijtje, is:
    A gebeurtenis: ik heb kritiek gekregen;
    C emotionele reactie: ik voel me verward, teleurgesteld, schuldig en ook wel boos.
    In eerste instantie lijken er weinig gedachten te bestaan, de gevoelens overheersen. De gedachten die echter gaandeweg kunnen opkomen zijn:
    B "Stom van me, ik had beter moeten opletten".
    "Ik heb het nu vast helemaal verpest".
    "M'n opleiding kan ik wel vergeten verder".
    "Ik deug niet voor dit vak".
    "Het is niet eerlijk. Ik doe m'n best en krijg nu dit over me heen". "Hoe kan iemand nou zo negatief zijn? Zo ga je toch niet met mensen om".
    "Nou, voortaan zoekt hij het maar uit. Op mij hoeft ie niet meer te rekenen".
    Als we deze gedachten voor waar accepteren, dan is de emotionele reactie terecht en adequaat. In dit geval is de vraag echter niet of deze gedachten waar zijn, dat zijn ze waarschijnlijk wel, maar vooral of ze ook realistisch zijn, dat wil zeggen of ze gebaseerd zijn op redelijke eisen vanuit je omgeving en verwachtingen over jezelf.
  4. Onrealistische gedachten; dit soort gedachten komen meestal voort uit de impliciete en vaak onredelijke verwachtingen en ideeen die artsen en hun omgeving hebben over hun functioneren. Enkele irrationele verwachtingen zijn, dat:
    1 je je opleiders nooit mag teleurstellen
    2 het verschrikkelijk is als een patient een klacht over je indient
    3 je werk altijd gaat boven je priveleven en ontspanning
    4 je nooit een diagnose mag missen
    5 je alle problemen die zich voordoen in je werk, moet kunnen oplossen
    6 je altijd begrip moet tonen voor je patienten 
    7 je nooit kwaad mag worden op collega's
    Hoewel deze gedachten inhoudelijk sterk uiteenlopen, hebben ze steeds een ding gemeen. Ze hebben allemaal iets onwrikbaars, iets absoluuts in zich. Dit komt tot uiting in het gebruik van woorden als moeten, verschrikkelijk, alle, altijd of nooit. Dit denken in absolute termen, geeft de onredelijkheid er van aan. Wie zo denkt, zal ieder foutje al gauw als een catastrofe en iedere vorm van kritiek als een geweldige uitbrander ervaren. Je stelt eisen aan jezelf die niet haalbaar zijn en dat leidt, vroeg of laat, onvermijdelijk tot teleurstellingen. Dit soort eisen houdt namelijk geen rekening met de feilbaarheid van het menselijk bestaan. Iedereen heeft wel eens momenten van tegenslag of onoplettendheid.
    Uiteraard is het prettig als de dingen lopen zoals jij dat graag wilt, maar niets kan garanderen dat het in je leven altijd precies zo loopt als jij graag wilt. Denken in termen van altijd moeten of nooit mogen is daarom niet realistisch.
  5. Wat kun je er aan doen? Als je je eigen (on)realistische gedachten hebt opgespoord, rijst meteen de vraag: "Wat doe je eraan?".
    Het antwoord is vrij simpel. Je bekijkt of die moeten en/of verschrikkelijk en geldig, dat wil zeggen realistisch zijn. Je onderwerpt de betreffende gedachten aan een kritische analyse. Dit wordt het uitdagen van gedachten genoemd. Door bij iedere moet- of verschrikkelijk-gedachte de vraag te stellen: "Is dat echt zo verschrikkelijk?" of "Moet dat eigenlijk echt wel altijd?", kun je ontdekken dat er eigenlijk helemaal niet zoveel dingen altijd moeten, nooit mogen of altijd verschrikkelijk zijn. De geldigheid van dit soort eisen is namelijk afhankelijk van de situatie. De situatie bepaalt in hoeverre er bij het niet voldoen aan de eis sprake is van een onplezierige gebeurtenis, een misser, een grote fout of een echte ramp. Als blijkt dat een bepaalde gedachte niet realistisch is, dan vervangen we deze door een andere, wel realistische gedachte.
    Enkele voorbeelden:
    Gedachte 1:
    "Is het verschrikkelijk dat ik deze kritiek heb gekregen?"
    Antwoord:
    "Het is niet verschrikkelijk. Het was prettiger geweest als ik beter had opgelet of ik alle informatie ook in de status had gezet. Dan was mijn supervisor ook niet zo tegen me uitgevallen. Maar er is nu zeker geen ramp gebeurd die deze uitval rechtvaardigt."
    Gedachte 2:
    "Had ik deze misser moeten voorkomen?"
    Antwoord:
    "Natuurlijk is het beter als ik dit soort missers weet te voorkomen. Het is echter maar de vraag of dat in dit geval was gelukt. Ik heb zoals gebruikelijk alles gecontroleerd en het kan dan natuurlijk gebeuren dat ik iets over het hoofd zie. Ik weet nog dat ik plotseling ben gestoord en toen ben ik vergeten om de informatie in de status te zetten. Een goede les voor de volgende keer!".
    Gedachte 3:
    "Maakt deze nalatigheid mij tot een slechte arts?"
    Antwoord:
    "Dat doet het niet. Als ik een keer iets goed doe, ben ik nog geen genie en als ik een keer een vergissing maak, ben ik nog niet stom. Zolang als ik leef zal ik, net als iedereen, dingen goed doen, maar ook fouten maken. Dus in plaats van mezelf te kleineren, kan ik mijn energie beter gebruiken om mijn fouten of vergissingen te corrigeren. Al deze gedachten over mijn eigen functioneren belemmeren mij alleen maar in het zorgvuldig uitvoeren van mijn werk".
    Door als er iets mis gaat, deze nuancering aan te brengen in je gedachten, heb je natuurlijk nog wel de onplezierige gevoelens over de situatie, maar je zult merken dat er langzamerhand een ander gevoel ontstaat: minder waardeloos, gekwetst of overstuur. Omdat je op deze manier je gevoelens meer onder controle krijgt, zul je vervolgens ook beter, d.w.z. functioneler kunnen reageren op de gevolgen van hetgeen er is misgegaan en op toekomstige, vergelijkbare situaties.

    Referentie
    - Heijden FMMA van de, Prins JT, Bakker AB. . Burnout in de opleiding tot medisch specialist.
    Medisch Contact 60 nr 47: 1904-1907, 2005