x.2.2.9.3.1 Casus

Voorbeeld 1
“Ik ben soms te betrokken bij mensen,” geeft Ada, werkzaam als wijkverpleegkundige in de thuiszorg, toe. “Ik wil soms dingen doen die niet bij ons werk horen, zoals nog wel even een pak melk halen als iemand zonder zit. Vroeger deed ik dat ook toen ik op een dorp werkte en het allemaal nog niet zo gestructureerd was. Maar ik zie nu ook wel in dat het niet mogelijk is. Bovendien komen dan mijn andere klanten in het gedrang.”
 
 Voorbeeld 2
Sonja, verpleegkundige op een chirurgie-afdeling, is geïrriteerd door mevrouw de Bondt. Ze vindt dat mevrouw haar veel te vaak lastig valt met allerlei onbelangrijke vragen en wensen. “Ze heeft zeker een hekel aan me en denkt dat ze hier de belangrijkste patiënt is,” denkt Sonja. “Waarom laat ze me nu niet even met rust in plaats van steeds te bellen?”
Als Sonja eens stil zou staan bij de vraag waarom mevrouw haar steeds nodig heeft en even echt de tijd voor haar zou nemen, zou ze inzien dat deze vrouw het erg moeilijk heeft met haar ziekte. Ze wil eigenlijk heel graag praten over haar problemen, maar Sonja’s gejaagdheid, die ze duidelijk bespeurt, weerhoudt haar daarvan.