In de praktijk

4. Zelfzorg in praktijk

 
1. Altijd willen helpen
 
Het gesprek met Frans heeft een hoop voor Marjan verhelderd. Ze gaat ’s avonds nog even naar een vriendin die ook in de verpleging werkt. Ze heeft er behoefte aan haar verhaal kwijt te kunnen. Ze heeft het dan allemaal wel wat meer op een rijtje gekregen, maar kan het toch nog niet goed loslaten. Haar vriendin zit echter in zak en as. Ze heeft ruzie met haar vriend en op de afdeling waar ze werkt, heeft ze die middag een aanvaring gehad met de teamleider. Dat is niet de eerste keer overigens. Die twee kunnen nu eenmaal niet zo goed door één deur.
Marjan luistert en troost, als vriendin, maar onbewust stelt ze zich ook als hulpverlener op, de rol die ze in haar werk als verpleegkundige heeft.
’s Nachts laat het haar niet los. Heeft ze wel de goede dingen gezegd? Had ze niet meer advies moeten geven? Had ze niet bij haar vriendin moeten blijven slapen? Die zei dan wel dat het beter ging, maar ze is daar niet zo gerust op.
 
Marjan is met hart en ziel verpleegkundige. Ze vindt dat ze in alle situaties waar een beroep op haar wordt gedaan moet helpen. Dat ze zelf nog vol zit van wat er met haar gebeurd is, zet ze gemakshalve maar aan de kant. Haar vriendin zit in de put. Die is dus belangrijker dan zijzelf. Ze heeft niet in de gaten dat ze tegen haar eigen grenzen op begint te lopen.
 
2. Tijd voor zelfzorg
Op zich kun je op ieder moment in een belangrijk gesprek met een patiënt (of vriend(in)) als het ware even de blik naar binnen richten. Het kan nooit kwaad om na te gaan of je eigen verwachtingen en gedachten wel redelijk zijn. Je kunt hiervoor de pauzes gebruiken die in ieder gesprek zitten. Deze pauzes bestaan vaak uit korte of langere periodes van stilte, meestal op momenten waarop van onderwerp wordt gewisseld. Ook een goede voorbereiding kan helpen. Stel jezelf daarbij vragen als: “Wat kan ik straks redelijkerwijs verwachten?”
Probeer je daarnaast bewust te worden van de doelstellingen van het gesprek. Deze kunnen soms op gespannen voet met elkaar staan en de zaak erg ingewikkeld maken.
 
Voorbeeld
De dokter kan vandaag helaas niet meer langs komen bij meneer van de Boom. Aan jou wordt gevraagd hem dit “even” te gaan zeggen. Je weet uit de theorie dat je het beste “meteen met de deur in huis kan vallen.” Maar je weet ook dat de patiënt het al erg moeilijk heeft en dat het hem zal tegenvallen dat de dokter niet meer met hem komt praten. Althans, dat verwacht je. Enerzijds moet je je patiënt zo duidelijk en helder mogelijk op de hoogte stellen van iets pijnlijks. Anderzijds wil je deze patiënt, en daarmee uiteraard ook jezelf, zoveel mogelijk pijn en ellende besparen.
 
Deze tegenstelling is alleen op te lossen door een “overkoepelend” begrip in te voeren, bijvoorbeeld het belang voor de patiënt. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden in korte en lange termijn. Op korte termijn kan de patiënt erbij gebaat zijn dat het slechte nieuws (de dokter komt niet) afgezwakt wordt. Je zegt in eerste instantie dat de dokter later komt.
Op wat langere termijn gaat dit echter vaak juist tegen het belang van de patiënt in. De patiënt merkt immers op een bepaald moment vanzelf dat de dokter niet meer komt. Hij zal behalve boos op de dokter ook boos op jou zijn, omdat je hem dit niet hebt verteld. Ook kan het helpen in dit soort situaties te bedenken dat het niet je taak is om mensen “gelukkig” te maken, maar om ze “minder ongelukkig” te maken.
 
3. Mensenwerk
Als het slecht-nieuwsgesprek één ding leert, dan is het wel dat werken in de verpleging typisch “mensenwerk” is. Het vak is aan de ene kant leuk en boeiend, omdat het om mensen draait met wie je als hulpverlener een relatie opbouwt. Aan de andere kant is het vak daarom juist zo frustrerend. Immers, hoe sterker de band tussen hulpverlener en patiënt, des te vervelender is het als het slecht gaat met de patiënt. Werken in de verpleging is dus altijd schipperen tussen betrokkenheid en distantie. Om je werk goed te kunnen doen, moet je jezelf verdiepen in de belevingswereld van de patiënt. Wil je je werk goed kunnen blijven doen, dan moet je tegelijkertijd niet in die belevingswereld zelf zitten, maar daar juist even boven staan. Aan een gids die zelf ook de weg kwijt is, heeft de patiënt immers niet zo veel.
 
Hoe beter je eigen verwachtingen aansluiten bij de realiteit, des te minder teleurstellingen zul je zelf hoeven te verwerken. Het idee dat een patiënt in één keer alles begrijpt en vervolgens ook nog jouw suggesties en adviezen zal opvolgen en je dankbaar buigend zal verlaten, is een voorbeeld van een te hoog gespannen verwachting. Een veel redelijker gedachte is: “De patiënt zal me dit niet in dank afnemen en wel boos op me worden.”
Het hanteren van dit soort gedachten is een vorm van zelfhulp waardoor je je eigen verwachtingen reëel kunt houden. Deze wetenschap had ook Marjan veel ellende kunnen besparen.
 
4. Stoom afblazen
Na afloop van een moeilijk gesprek met een patiënt is het verstandig rekening te houden met je eigen behoefte aan verwerking. Hol niet meteen verder. Ga niet meteen over tot de orde van de dag, als dat al mogelijk is. Verstandiger is het om zelf het gesprek nog eens te herbeleven. Geef dan ook expliciet aan de eigen emotionele reacties uiting. Als het kan, is het prettig om na het voeren van bijvoorbeeld een slecht‑nieuwsgesprek even stoom af te blazen bij een collega of iemand anders. Doe dat bij voorkeur bij iemand bij wie je je op je gemak voelt en die van de situatie op de hoogte is.
 
In de praktijk blijkt dat veel verpleegkundigen moeite hebben met het vinden van de juiste balans tussen betrokkenheid en distantie. Men neemt problemen mee naar huis of gaat zich juist overdreven afstandelijk opstellen uit zelfbescherming. Gezien het belang van deze begrippen voor het eigen wel en wee alsmede dat van de patiënt, wordt in het volgende hoofdstuk aan dit dilemma expliciet aandacht besteed.
 
 
5. Zelf aan de slag
 
Vragenlijst zelfanalyse
Deze vragen kun je jezelf stellen bij moeilijke gesprekken:
 
1.      Hoe gespannen ben ik? (geef jezelf een cijfer tussen 0 – 10)
 
2.      Wat zeg ik en hoe zeg ik het?
 
3.      Wat doe ik?
 
4.      Wat voel ik?
 
5.      Wat denk ik?
 
6.      Wat zou ik nu willen denken, voelen en doen?
 
7.      Welke gedachten en gevoelens zou ik nu willen uiten?
 
8.      Wat wil de ander duidelijk maken?
 
9.      Welke gedachten hinderen me om te doen wat ik wil?
 
10. Zijn deze gedachten eigenlijk wel rationeel?
 
11. Hoe begin ik en uit ik wat ik wil?