Opnieuw aan de slag

3. Wat kun je zelf doen?
Allereerst is het dus zaak de irrationele gedachten bij jezelf op te sporen. Vervolgens rijst meteen de vraag: wat doe je eraan? Het antwoord is dit keer heel simpel: je bekijkt of die absolute gedachten geldig, dat wil zeggen redelijk zijn. De beste manier om dat te doen is om de situatie en je gedachten erbij nog eens kritisch te analyseren. Vervolgens stel je jezelf de vraag: is dat zo?
Als je er niet meteen van uitgaat dat gedachten onvermijdelijk waar zijn, blijkt al gauw dat ook gedachten best ter discussie gesteld kunnen worden. Door in eerste instantie de vraag te stellen: “wat kan ik verwachten in een dergelijke situatie” en vervolgens door bij iedere moet‑ of het-is-verschrikkelijk-gedachte de vraag te stellen: “moet dat eigenlijk echt wel?” of “is dat echt zo verschrikkelijk?”, kun je ontdekken dat veel van wat er gebeurt uiterst logisch is. Bovendien zijn er eigenlijk helemaal niet zoveel dingen die moeten of verschrikkelijk zijn. Veel vaker zijn dingen alleen maar vervelend of onplezierig en maar zelden is er sprake van een ramp. Als je zo tegen de dingen aan kunt kijken, merk je dat je natuurlijk nog wel bepaalde gevoelens hebt, maar dat je zelden meer overstuur raakt of echt aangedaan bent. De meeste rampen spelen zich alleen af in onze fantasie en daarom is het goed te beseffen dat we soms spoken zien.
 
Behalve de vraag “Is dat zo?” kun je ook varianten daarop gebruiken, zoals: “Van wie moet het zo nodig?” Als er sprake is van een persé moeten voldoen aan de wensen of verwachtingen van anderen, kun je de vraag stellen: “Wiens leven is het nu eigenlijk? Leef je zelf of word je liever geleefd?”
Je kunt jezelf ook leren het antwoord op de vraag te geven namelijk: “Het hoeft niet; het mag of kan misschien, maar het hoeft niet.” Uiteraard is het prettig als de dingen lopen zoals je dat graag wilt. Echter, de wereld is zoals hij is en niet zoals je graag wilt dat hij is.
 
In het volgende hoofdstuk kun je lezen wat er gebeurt als Frans probeert de RET-methode toe te passen op Marjan als ze het niet meer ziet zitten en er zelfs over denkt het bijltje er maar bij neer te gooien.
 
4. Zelf aan de slag
In de volgende denkstappen kun je voor jezelf nagaan hoe je een irrationele gedachte opspoort, analyseert en omzet in een redelijke gedachte.
 
1.      Probeer je weer een situatie voor de geest te halen die je moeilijk vond (of leef je in in Marjan).
2.      Schrijf in het kort op wat er gebeurde en waarop je kritiek kreeg.
3.      Wat waren je gedachten? Ik heb het verkeerd gedaan/ik doe het ook nooit goed/ ik deug niet voor dit vak/ geen van dergelijke gedachten. (Als dat laatste het geval is, ga door naar het volgende hoofdstuk.)
Formuleer voor jezelf het antwoord dat je gedachte het dichtst benadert. Dit noem je B.
4.      Wat was je emotionele reactie? Boos/verdrietig/verward/schuldig/waardeloos.
Formuleer voor jezelf het antwoord dat je gevoel het dichtst benadert. Dit noem je C.
5    Probeer nu B te analyseren en ga na of je gedachte redelijk is.
      Stel jezelf daarbij de vraag: “Is het zo?”
5.      Stel vervolgens de vraag: “Wat kan ik verwachten in een dergelijke situatie?”
Schrijf hier kort iets over op. 
Onderken de moet- of het-is-verschrikkelijk-gedachte en vraag je af: moet dat eigenlijk wel? Of: is het echt zo verschrikkelijk?
Als variant op: ‘Is het zo?’ kun je je afvragen: ‘Van wie moet het zo nodig?’